Wat een kind hoort van de zijlijn
Bijna elke ouder wil vanaf de zijlijn helpen. Maar wat komt er op het veld eigenlijk aan? Onderzoek onder jonge sporters laat zien wat ze wel en niet willen horen, en waarom goedbedoelde aanwijzingen vaak verkeerd vallen.
Een vraag die zelden aan kinderen wordt gesteld
Over ouders langs de lijn wordt veel gezegd, door trainers, door clubs en door ouders onderling. Wat opvalt, is hoe weinig het de kinderen zelf wordt gevraagd. Twee studies in Canada deden dat wel.
In de eerste spraken de onderzoekers Knight, Boden en Holt met 42 jonge tennissers op hoog niveau, van gemiddeld dertien en een half jaar oud (Knight, Boden en Holt, 2010). In de tweede interviewden Knight, Neely en Holt 36 meisjes van dezelfde leeftijd die een teamsport speelden, het vaakst voetbal (Knight, Neely en Holt, 2011). Het zijn kleine groepen, in één land, en het gaat om wat kinderen zeggen te willen. Maar het beeld dat eruit komt, is opvallend eenduidig.
Wat ze wel willen
Alle 36 meisjes in de teamsportstudie noemden dezelfde drie dingen. Ze wilden dat hun ouders het hele team aanmoedigen, en niet alleen hun eigen kind. Ze wilden dat de aandacht naar inzet ging, en niet naar de uitslag. En ze wilden dat hun ouders hun emoties in de hand hielden.
Na de wedstrijd wilde een ruime meerderheid, 33 van de 36, een reactie die positief was en tegelijk eerlijk. Geen ophemelen van een wedstrijd die tegenviel, en geen opsomming van wat er misging.
Bij de tennissers kwam iets vergelijkbaars naar voren. Opmerkingen over inzet en houding waren welkom, en praktische hulp ook. En de kinderen letten op de lichaamstaal van hun ouders. Die moest passen bij de steunende woorden. Paste die niet, dan voelde steun al snel als druk.
Wat ze niet willen
Even duidelijk was wat de kinderen liever niet zagen of hoorden. In de teamsportstudie wilden 29 van de 36 meisjes niet dat hun ouders vanaf de kant gingen coachen. 31 wilden niet dat hun ouders in discussie gingen met de scheidsrechter. En 28 wilden niet dat hun ouders de aandacht op zichzelf of op hun kind vestigden.
De meeste tennissers wilden ook geen technische en tactische aanwijzingen van hun ouders, omdat die hen in de war brachten. Alleen van een ouder die zelf veel van tennis wist, vonden ze dat goed. Dat is geen ondankbaarheid. Wie op het veld staat, heeft al een trainer, en een tweede stem met andere aanwijzingen maakt het niet makkelijker om te spelen.
Wat Nederlandse trainers en ouders zien
Ook in Nederland is het een bekend onderwerp. In onderzoek van het Mulier Instituut in opdracht van de KNVB vulden 317 trainers en 748 ouders van voetballende kinderen een vragenlijst in (Mulier Instituut, 2022). Van de trainers zei 28% wel eens te maken te hebben met ongewenst gedrag van ouders langs de lijn. De onderzoekers waarschuwen dat de groep niet representatief is, maar het geeft een indruk.
In hetzelfde onderzoek gaven de ouders aan waarom hun kind voetbalt. 95% noemde plezier. 23% noemde het winnen van wedstrijden. Ouders weten dus heel goed waar het hun kind om gaat. Langs de lijn, met een spannende stand en een scheidsrechter die een fout fluit, is dat soms lastig vast te houden.
Waarom het zo moeilijk is
Bijna geen ouder staat langs de lijn met het plan om te veel te roepen. Het gebeurt in het moment. Je ziet je kind twijfelen bij een bal, je weet wat het had moeten doen, en het is eruit voordat je erover nadenkt. Of je ziet een overtreding die niet wordt gefloten, en je ergernis is zichtbaar voor iedereen.
Het onderzoek laat zien dat kinderen dat haarfijn opmerken. Niet alleen wat je roept, maar ook hoe je staat, hoe je kijkt en wanneer je stil wordt. Dat maakt het lastig, maar het geeft ook houvast. Wat kinderen vragen, is eigenlijk eenvoudig. Moedig iedereen aan, kijk naar inzet, en blijf rustig.
Waarom het verder gaat dan één wedstrijd
Ouders langs de lijn zijn niet alleen een zaak van ouders. Een trainer merkt het in de wedstrijd, en spelers nemen het mee naar de kleedkamer. Een club die wil dat kinderen met plezier blijven voetballen, heeft er dus belang bij dat ouders weten wat hun kind van ze vraagt.
Dat lukt zelden met een bord bij de ingang alleen. Het helpt als ouders horen wat kinderen zelf zeggen, en als trainers en ouders hetzelfde verhaal vertellen.
Bronnen
- Knight, Boden en Holt (2010). Junior tennis players' preferences for parental behaviors. Journal of Applied Sport Psychology, 22(4), 377-391. Focusgroepen met 42 Canadese tennissers op hoog niveau, gemiddeld 13,5 jaar.
- Knight, Neely en Holt (2011). Parental behaviors in team sports, how do female athletes want parents to behave? Journal of Applied Sport Psychology, 23(1), 76-92. Interviews met 36 Canadese meisjes in teamsporten, gemiddeld 13,5 jaar.
- Huiberts, van Suijlekom, Reitsma en Elling (2022). Pedagogisch sportklimaat in het voetbal. Mulier Instituut, in opdracht van de KNVB. Vragenlijst onder 317 trainers en 748 ouders, niet representatief.
Geschreven door de redactie van aanspeelpunt [TE BEVESTIGEN] Inhoudelijke check door de sportpsycholoog [NAAM]
Van lezen naar doen
Dit soort momenten oefenen trainers, coaches en ouders in de modules van aanspeelpunt Per vraag een korte video, een oefening voor dezelfde week en vragen om het gesprek te openen.
Werkt de club van je kind ermee, dan heb je als ouder toegang. Zo niet, vraag ernaar bij de club, of neem zelf toegang.
Modules die hierbij passen
- Wat je langs de lijn wel en niet roept module 01, 7 minuten, voor ouders
- Langs de lijn bij de jongste spelers module 05, 7 minuten, voor ouders
- Ouders langs de lijn bij de pupillen module 14, 9 minuten, voor trainers en coaches
Meer langs de lijn
-
De speler die stil werd
Een vrijwillige trainer ziet dat een speler na de winterstop stiller wordt, en weet niet goed wat hij ermee moet.
-
Een seizoen aan de bestuurstafel
Een trainer vraagt de jeugdcoördinator bij wie ze terechtkan met een zorg, en niemand in het bestuur weet het antwoord.